Discussie ten einde: elk exploot is een ambtshandeling!

Discussie ten einde: elk exploot is een ambtshandeling!

Onze beroepsgroep, de KBvG, heeft in de loop der jaren behoorlijk wat discussie gevoerd over de vraag of ieder exploot die een gerechtsdeurwaarder uitbrengt, een ambtshandeling is en dat daar dientengevolge ook een informatie voor gevraagd kan worden uit de BRP. Gisteren heeft het Hof van beroep een einde aan die discussie gemaakt.

We schetsen nog even de geschiedenis:

In een beslissing van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders van 22 januari 2019 werd, naar de mening van de KBvG volstrekt ten onrechte, een oude uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (Kamer voor Gerechtsdeurwaarders 8 februari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:YB0533) aangehaald. Het was uitgerekend die uitspraak uit 2011, maar ook de onbegrijpelijke opmerkingen die de Minister in de Memorie van Toelichting maakte (zie, p.9: het doen van exploten werd onder de nevenwerkzaamheden van art. 20 GDW geschaard), die voor de KBvG destijds de aanleiding vormden het leerstuk “Elk exploot is een ambtshandeling” nader te motiveren en onderbouwen. Dat standpunt van de KBvG werd in februari 2016 gepubliceerd.

Deze gemotiveerde opinie van de KBvG bepaalde – kortheidshalve – dat uit artikel 3:37 BW onder omstandigheden wel degelijk gronden voor een exploot zijn af te leiden, nu dat wetsartikel de bewijslast voor de ontvangst van een verklaring neerlegt bij de verzender. Die kan dat alleen onomstotelijk bewijzen met een exploot, en dus moet het voor en verzender mogelijk zijn die te (laten) doen.

In 2018 werden vervolgens Kamervragen beantwoord die gesteld waren door de leden Van Nispen en Jasper van Dijk (beiden SP) aan de minister voor Rechtsbescherming over e-Court (ingezonden 18 januari 2018). Op de vraag of de deurwaarder die wordt ingeschakeld door e-Court wel bevoegd is om in de Basisregistratie Personen persoonsgegevens te bekijken, antwoordde de Minister: “Op grond van het Autorisatiebesluit Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders, Rijksdienst voor Identiteitsgegevens en de toelichting daarop is de gerechtsdeurwaarder in principe uitsluitend bevoegd om het BRP te raadplegen ten behoeve van de uitoefening van een wettelijke taak. Daarvan is bij de oproeping ten behoeve van e-Court geen sprake. De gerechtsdeurwaarder kan echter voor deze oproeping wel een exploot uitbrengen. De KBvG stelt zich op het standpunt dat aangezien het arbitrage-geding met een exploot wordt ingeleid, de zorgvuldige beroepsuitoefening van de gerechtsdeurwaarder bevraging van het BPR vereist. Over deze interpretatie treed ik met de KBvG en BZK nader in overleg.”

Dit antwoord van de Minister veroorzaakte een naar de mening van de KBvG niet te aanvaarden lacune in de regelgeving die civielrechtelijk tot schade voor procespartijen en onacceptabele aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarders zou kunnen leiden.

Het was dan ook met grote belangstelling dat de KBvG een tuchtprocedure heeft gevolgd, waarin de Kamer voor gerechtsdeurwaarders op 22 januari 2019 in eerste aanleg uitspraak deed. De Kamer overwoog (r.o. 4.4): “Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 4 lid 2 van de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming van persoonsgegevens niet bevoegd was om een adresverificatie uit te voeren, nu geen sprake is van een ambtshandeling.”
Reden voor de gerechtsdeurwaarder in kwestie om hoger beroep in te stellen. Het Hof van beroep deed gisteren uitspraak in deze tuchtzaak.

Enkele overwegingen van het Hof uitgelicht:

Over Elk exploot is een ambtshandeling:
“6.4. Hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft overwogen over “het doen van dagvaardingen” geldt ook voor “het doen van (…) verdere exploten als bedoeld in art. 2, lid 1, onder b, Gdw. Dat betekent dat de gerechtsdeurwaarder die een exploot doet, een ambtshandeling verricht, ongeacht de inhoud van het exploot en ongeacht het antwoord op de vraag of er een wettelijk voorschrift bestaat waaruit voortvloeit dat de handeling bij exploot dient te geschieden, bij exploot kan geschieden of niet bij exploot kan geschieden. Indien een gerechtsdeurwaarder een exploot doet waarbij een persoon wordt opgeroepen om voor e-Court te verschijnen, is dat dus een ambtshandeling.”

En:
“6.28. (…) Echter, indien -op welke basis dan ook- ervoor wordt gekozen om de oproeping bij exploot uit te brengen, dan kan een dergelijke handeling (…) niet anders worden gekwalificeerd dan als een ambtshandeling. Een en ander volgt rechtstreeks uit het bepaalde in artikel 2 lid 1, aanhef en sub b slot, en lid 2 Gdw. (…)”

Over de KBvG-notitie Ëlk exploot is een ambtshandeling”
“6.26. De notitie kan niet worden aangemerkt als een verordening op de voet van art. 57 lid 2 of art. 80 Gdw. De notitie bevat geen beroeps- of gedragsregels en geen verbindende voorschriften. De notitie bevat wel een rechtsopvatting. Gelet op het gezag dat binnen de beroepgroep pleegt toe te komen aan een dergelijke notitie, dient te worden aangenomen dat een gerechtsdeurwaarder die in overeenstemming met die rechtsopvatting handelt, in beginsel niet tuchtrechtelijk laakbaar handelt, zolang die rechtsopvatting niet door de tucht- of burgerlijke rechter als onjuist van de hand is gewezen.”